De opbouw van Drenthe

In 2011 publiceerde mijn nicht Suzanna Jansen het boek Pauperparadijs over de familiegeschiedenis van onze moeders, die zussen waren, en daarmee bood ze inzicht in de diepe armoede van de Drentse veenkoloniën sinds 1823. Naar aanleiding van dit boek werd becijferd dat van de huidige Nederlandse bevolking tenminste een miljoen mensen hier een achtergrond heeft.
Een eeuw na de oprichting van de gestichten in Veenhuizen was de ellende in Drenthe aanleiding voor het Amsterdamsch Comité Drentsche Venen om de Drenthsche Opbouw Tentoonstelling Amsterdam te organiseren. De D.O.T.A. werd gehouden in het Paleis voor Volksvlijt en vond plaats van 30 maart tot 15 april 1928. De tentoonstelling werd “gewijd aan de Drentsche opbouw, niet aan het beklagenswaardig verleden, maar aan het heden en aan een hoopvolle toekomst van het land.”info

In de aanloop naar hulpprogramma’s die in 1929 werden uitgevoerd bracht de Centrale Vereeniging voor de Opbouw van Drenthe in 1927 de eerste acties op gang om gezondheidszorg en industrie te bevorderen. Er werd een Rijksinspecteur voor de werkverschaffing in Drenthe aangesteld, er kwamen enkele schoolartsen,info er was een huis in Nieuw-Amsterdam gekocht om er een tuinbouwschool van te maken,info er kwamen kindercrèches, stageplaatsen voor jongens uit het veen op boerderijen, huishoudelijke cursussen en een dienstbodeopleiding.info Landelijk werden loterijen en inzamelingsacties georganiseerd, onder meer in de dierentuin van Den Haag en bij een feest in het Paleis voor Volksvlijt.info De opbrengst was bestemd voor de armste inwoners van Drenthe, die werk nodig hadden.
Ook het Amsterdamse tentoonstellingscomité richtte zich op het scheppen van werkgelegenheid in Drenthe, en breidde uit met bestuurders die de belangen vanuit de provincie zouden behartigen: Jan Linthorst Homan,info commissaris van de Koningin (voorzitter), Klaas Brok,info de eerste socialistische gedeputeerde van Drenthe en R. de Vries, secretaris van de Provinciale Griffie.

Op de tentoonstelling werd aandacht besteed aan waterstaat, ontginning, land- en tuinbouw, zuivelbereiding, veenbedrijf, nijverheid, Staatsbosbeheer, sociale hygiëne en buurthuizen, oudheidkunde, geschiedenis en folklore. “Wat de tentoonstellingsbezoekers verwachten kunnen is dan ook niet gering”, schreef het Algemeen Handelsblad, “Er zal op de planken van het paleis een hunebed prijken, er wordt een boerderij van Saksisch model in elkaar gezet, omgeven door een Drents dennenwoud, er komen voorwerpen uit het Provinciaal Museum in Assen, waarbij de bekende ‘veenlijken’ de griezelafdeling vormen; er komt een Drentse bruiloft in ‘s lands kledij.”info
Op de galerijen van het Paleis voor Volksvlijt was ruimte voor stands van bedrijven. Op 15 april 1928 werd de tentoonstelling afgesloten met een feestelijke bijeenkomst, een kunstveiling en de woorden van minister Jan Kan:info “Ik ken Drenthe, maar dat de tentoonstelling zo belangwekkend zou zijn als ik hier zie, wist ik niet.”info

Grimmon, die in 1922 de Tentoonstelling De Mensch had gemaakt in het Paleis voor Volksvlijt, was technisch adviseur van de D.O.T.A. en bereidde de tentoonstelling voor in samenwerking met de architecten M. de Vries en J. Boelen uit Assen.
Achteraf gezien werkte de familie van mijn vader via de D.O.T.A. mee aan verbetering van de armoedige omstandigheden waaruit de familie van mijn moeder afkomstig was.

© Archief Grimmon

Print Friendly, PDF & Email