Normalisatie van kleuren

Grimmon ontwikkelde zich, met zijn pogingen normalisatie aan te brengen in het gebruik van kleuren, als internationaal erkende autoriteit. In een terugblik op zijn activiteiten om tot kleurnormalisatie te komen beschreef hij hoe hij hiertoe was gekomen. “Dat ik als medewerker aan de afdeling gebouwen der Publieke Werken voortdurend voor Amsterdamse gemeentelijke gebouwen ook de kleuren moest verzorgen, is een van de redenen waarom ik tot de kleurnormalisatie gekomen ben. Ik stond telkens voor de taak de schilders kleuren te noemen, die dan door hen moesten worden aangemaakt en opgestreken. Toen dacht ik, waarom geen staalkaart gemaakt van een paar roden, blauwen, een paar gelen, enz., die met elkaar harmoniëren en die ik, tenminste in de eenvoudige gevallen, kan aanwijzen, b.v. voor grote administratiegebouwen hier en daar in de stad?”info

Hij begon zijn experiment bij het Bureau van de Verkeerspolitie aan de Overtoom, waarvoor hij zelf een aantal verfkleuren maakte die konden gebruikt bij het schilderwerk. “Maar voor een kinderschooltje waar bijzonder frisse kleuren eis waren moest ik weer andere samenstemmende kleuren zoeken. Toen heb ik hele groepen kleuren voor de gemeentegebouwen vastgelegd zodat de dienst daaruit altijd voldoende keuze zou hebben naar gelang van de aard en het doel van ieder nieuw gebouw. Natuurlijk bracht dit mij op de gedachte: of niet anderen reeds in diezelfde richting waren bezig geweest. Ik ben gaan zoeken, en toen ik allerlei daarover bijeen had, zag ik dat onder de vele systemen op kleurengebied dat van Ostwald het best met mijn ideeën overeenkwamen. Die was het verst gegaan en bleek ook het nauwkeurigst.”info

Wilhelm Ostwaldinfo uit Riga, met wie Grimmon correspondeerde, won de Nobelprijs voor chemie in 1906. Zijn kleurtheorie, met vier hoofdkleuren, wordt beschouwd als wetenschappelijk omdat het mogelijk is om kleur objectief te meten en het materiaal kan worden vertaald in een zwart-wit factor.info Ostwalds theorie kreeg internationaal grote invloed op praktische toepassingen.
Grimmon had Ostwalds publicaties Die Harmonie der Farbeninfo en Die Harmonie der Formeninfo gekocht bij de firma A.J. van der Linde, Schilder- en Teeken Behoeften in Amsterdam. In een van de boekjes onderstreepte hij een passage: “Es wurde zunächst festgestellt, dass man zwar nicht aus drei, wohl aber aus fünf passende gewählte Grundfarben alle Töne des Farbenkreises in gleicher reinheit, wie die Grundfarben mischen kann.”info 

Maar Ostwald had zich met de praktijk weinig bemoeid, constateerde Grimmon, en daar was het hem juist om te doen. “Ostwald bevorderde dat er waterverven op de basis van zijn theorie van kleurengroeperingen zijn gemaakt. Intussen had ik kleurkaartjes van Ostwald gekregen en daarmee ben ik naar de schilders van onze gebouwen gegaan en trachtte daarmee de kleuren aan te geven. Die moesten ze mengen. Maar dat lukte nooit! Ik begreep toen dat er gerede verven moesten zijn, na nauwkeurige menging door fabrieken in massa geproduceerd, en wel precies zoals Ostwald (of een ander) ze zou hebben aangegeven: een staalkaart, niet meer alleen op kaartjes afgedrukt, maar in de fabriek zelve en in de verfwinkels altijd als verven verkrijgbaar.”

Grimmon vond verffabriek Vettewinkel als eerste bereid om te onderzoeken of het mogelijk zou zijn een beperkt aantal kleuren in een reeks te ontwikkelen. Tegelijkertijd richtte hij samen met Vettewinkel het tijdschrift voor huis en decoratieschilders Verf en Kleur op. Het eerste nummer, met een redactioneel van hoofdredacteur Grimmon, verscheen in 1925. Directie en redactie van Verf en Kleur stelden zich voor “een bibliotheek te vormen en een permanente tentoonstelling in te richten van goed gekleurde producten en materialen”.info

Mariël Polman deed onderzoek naar kleurgebruik in het interbellum ten behoeve van restauratie van projecten uit de periode van het Nieuwe Bouwen. Zij noemde het streven naar kleurnormalisatie zoals Grimmon dat in Verf en Kleur verwoordde interessant, maar wellicht niet realistisch omdat textuur en aard van het materiaal de waarneming beïnvloeden en fabrikanten eigen reeksen willen ontwikkelen om klanten te binden. “Maar nu gebeurt dat toch wel: de eenheidsworst van gestandaardiseerde kleuren.”info

Uit correspondentie en uit aantekeningen bij de drukproeven sprak groot enthousiasme van betrokkenen en het tijdschrift Verf en Kleur werd goed ontvangen. Toch werkte Grimmon alleen mee aan het eerste nummer, mogelijk omdat hij ook andere dingen aan zijn hoofd had. Vincent,info zijn tweede zoon, was een maand voor de uitgave van het eerste nummer van Verf en Kleur geboren, drie weken na de verhuizing van de Prinsengracht naar de Vondelstraat. Vincent overleed negen maanden na zijn geboorte. In de tussentijd was ook de moeder van zijn vrouw gestorven.info 
In het volgende jaar, 1925, nam Grimmon het initiatief tot de uitgave van een boek over kleurenleer. Hij verzekerde zich hiertoe van de medewerking van Ostwald en correspondeerde met mogelijke sponsors. Hij kreeg de financiering echter niet rond, het boek is niet verschenen.

Maar Grimmon zette zijn pogingen om tot genormaliseerde kleuren te komen door. Hij interesseerde een aantal fabrikanten om een staalkaart van dezelfde kleuren voor verschillende materialen te ontwikkelen omdat normalisatie alleen zinvol was bij algehele toepassing: “Voor alle materialen die geregeld bij elkaar worden gebruikt moest dezelfde kleurenreeks geldig gemaakt worden, waardoor een veel grotere kans ontstond dat disharmoniëen van kleur, in woninginrichting b.v. verminderden, dus dezelfde kleurenreeksen of gedeelten van dezelfde kleurenreeksen voor wandbekleding, behang, gordijnen, overtrekken van stoelen, tapijten e.d. Ik ging in die richting aan ‘t werk.”
Hij testte het idee met producenten van verven zoals mineraalverf en waterverf, van wol, velours, katoen, behangselpapier, glas, drukinkt, zijde, linoleum en keramiek. “Deze resultaten hebben veel tijd en moeite gekost. Er is in Nederland een Bureau voor Normalisatie; dat is een ingenieursbureau, het krijgt rijkssubsidie en bemoeit zich voornamelijk met de normalisatie van b.v. metalen buizen, klinknagels, onderdelen van machines, flessen enz. De leider van dit bureau had in de vakbladen gelezen van mijn ideeën en zond mij een bericht om eens te komen praten. Intussen had ik een aantal gesprekken gevoerd met enige fabrikanten en hadden die fabrikanten het plan gemaakt een normalisatievereniging te stichten; maar zoals dat met plannen tot Vereniging gaat, dat lukte niet best.”

“Toen is de oud-directeur van Publieke Werken A.W. Bosinfo zich voor mijn ideeën gaan interesseren. En hij pakte het flink aan. Naar aanleiding van mijn beschilderen van gemeentegebouwen heeft hij op 26 maart 1926 een lezing gehouden waarbij in een zaal ernaast ik alle toen al op de basis van kleurennormalisatie gemaakte producten heb uitgestald: behang, verven, modeartikelen enz.”
Ad Bos, inmiddels gepensioneerd directeur van Publieke Werken, organiseerde de bijeenkomst in de nieuwe vleugel van het stadhuis van Amsterdam. Bij de presentatie van het Plan Grimmon, onder de noemer Normalisatie van kleuren ter verkrijging van onderlinge harmonie bij verschillend materiaal waren tal van architecten (onder wie Hein Berlageinfo en Jan Wilsinfo en bedrijven (waaronder Nederlandsche Linoleumfabriek Krommenie, Glasfabriek Leerdam, Porceleyne Fles, Bruynzeel en Rath en Doodeheefver) aanwezig.
De belangstelling van de pers was eveneens groot. Het Vaderland, Staat- en letterkundig nieuwsblad schreef: “Hoewel het grote economische belang verbonden aan algemene invoering van het stelsel van de architect Grimmon, hetwelk gebaseerd is op de beginselen, naar voren gebracht door prof. Wilh. Ostwald ten volle werd erkend, meende men dat de kleurentheorie nog nadere wetenschappelijk controle behoeft, alvorens tot toepassing in de praktijk kan worden overgegaan.”info

Grimmon was teleurgesteld over het resultaat van de bijeenkomst: “Ook hier was een vertegenwoordiger van het normalisatiebureau aanwezig. En nu was het wéér aan dat bureau dat de verdere behartiging van de zaak door de vergadering werd opgedragen. En weer gebeurde en gebeurt er niets. Het bureau moest eerst studeren. Om te studeren moest een commissie worden ingesteld en deze commissie is ingesteld en studeert op de eerste plaats of ’t systeem Ostwald goed is… Daarna komen veel later waarschijnlijk de andere systemen aan de beurt. En onderhand hoorde niemand iets en ik hoorde niets van de commissie.”
Pas in juli 1934 werd Grimmon uitgenodigd om toe te treden tot de ‘Commissie 40 voor de Normalisatie van Kleuren’,info één van de commissies van het Instituut voor Normalisatie in Nederland uit Den Haag (het huidige NEN).info Uiteindelijk liep hij vast in de bureaucratie van het instituut en stapte hij uit de commissie.

In zijn werk gebruikte Grimmon later nauwelijks uitgesproken kleuren, maar overwogen kleurgebruik, harmonie en eenvoud bleven belangrijke uitgangspunten. Een neef van zijn latere echtgenote Joop van Dijkinfo herinnert zich nog goed dat een groot paneel van het Plan Grimmon, bestaande uit talloze kleurenblokken, in de woonkamer van Grimmons aan het Molenpad hing. Ook was er tussen de beide kamers aan de Prinsengracht een nis waarin zij hun verzameling kleurrijke objecten ook in de jaren ’50 nog uitstalden.

© Archief Grimmon

Print Friendly, PDF & Email